Kerntaken voor het opvangbeleid voor mensen zonder wettig verblijf in Vlaanderen. Aanbevelingen over wie wat moet doen.
Tekst goedgekeurd door de ICEM-werkgroep Opvangbeleid op 20 juni 2003
Mensen zonder wettig verblijf: wie zijn ze ?
Ook in Vlaanderen verblijven er tienduizenden mensen die over geen legaal verblijf beschikken. Het gaat om een zeer heterogene groep. Afhankelijk van het feit of zij vroeger een legale (tijdelijke, voorwaardelijke of zelfs definitieve) verblijfsstatus bezaten of niet, behoren zij vooral tot één van onderstaande groepen: clandestiene migranten die nooit een verblijfsvergunning vroegen en ofwel clandestien ofwel als toerist België binnenkwamen; uitgeprocedeerde asielzoekers die een uitwijzingsbevel kregen waartegen geen schorsend beroep meer loopt; uitgeprocedeerde gezinsherenigers of samenwoners; buitenlandse studenten zonder verblijfsrecht; ex arbeidsmigranten; vreemdelingen die hun diplomatiek of consulair statuut verloren zijn; ex au pairs; uitgeprocedeerde slachtoffers van mensenhandel; verbannen vreemdelingen die na een strafrechtelijke veroordeling ook hun verblijf verloren door een beslissing van Binnenlandse Zaken; ex gevestigde vreemdelingen die waren teruggekeerd naar hun land en die bij terugkeer naar België geen statuut krijgen.
Een specifieke categorie wordt gevormd door die mensen - in hoofdzaak Oost-Europeanen - die met een toeristenstatus legaal ons land binnengekomen zijn en al klussend langer blijven dan wettelijk mag. Zij zien hun aanwezigheid als tijdelijk en als bedoeld om op zo kort mogelijke termijn veel geld te verdienen waarmee ze dan in hun streek van herkomst iets kunnen opzetten of kopen.
Voor veel mensen zonder wettig verblijf was de regularisatiewet van 22 december 1999 de opstap naar legaal verblijf. In totaal werden er nagenoeg 37.000 regularisatieaanvragen ingediend. Begin 2003 waren er in totaal 35.997 dossiers afgehandeld waarvan 25.350 positieve beslissingen. Een enquête van Kerkwerk Multicultureel Samenleven gehouden in het voorjaar 2000 toonde anderzijds aan dat een grote groep mensen zonder wettig verblijf géén aanvraag hadden ingediend, ook al beantwoordden ze misschien aan de criteria van de regularisatiewet
Een belangrijk deel van de personen om wie het hier gaat, woont in Vlaanderen. Zij die door regularisatie recht op verblijf verwerven, behoren tot de doelgroep van het emancipatiebeleid. Zij krijgen ook de kans een inburgeringsprogramma te volgen. Personen zonder verblijfsstatus die in een onmenselijke situatie dreigen terecht te komen, behoren tot de doelgroep van het opvangbeleid.
Waarom een opvangbeleid aangewezen is
Niet alle mensen zonder wettig verblijf hebben nood aan een opvangbeleid. Een aantal onder hen is immers in staat op eigen kracht te overleven en vraagt dan ook geen bijzondere aandacht van de Vlaamse overheid. Anderen daarentegen lopen het risico in een onmenselijke situatie terecht te komen. Om te voorkomen dat de grondrechten van deze mensen geschaad worden, moet er een gericht beleid gevoerd worden.
De grondwet, het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (HGEU), de VN-Conventie inzake de bescherming van de rechten van alle arbeidsmigranten en hun gezinsleden, het VN-Verdrag voor de Rechten van het Kind en - specifieke voor Vlaanderen - het minderhedendecreet, vormen het kader waarbinnen deze toenemende beleidsaandacht vorm krijgt. Dit kader maakt dat mensen zonder wettig verblijf onder het toepassingsgebied van een aantal grondrechten vallen en geeft de overheid de opdracht er over te waken dat deze grondrechten kunnen geëffectueerd worden.
Artikel 23 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 stelt dat ieder het recht heeft een menswaardig leven te leiden. Artikel 191 stelt bovendien dat iedere vreemdeling die zich op het grondgebied van België bevindt, de bescherming geniet verleend aan personen en goederen, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen. Hieruit volgt dat alle vreemdelingen die zich in België bevinden, ook zij die geen wettig verblijf hebben, in principe dezelfde rechten hebben als de Belgen tenzij de wetten zelf daarop een uitzondering voorzien. Dit is een standpunt dat door het Arbitragehof bevestigd werd.
Artikel 1 van het EVRM stelt dat de in het verdrag opgesomde grondrechten moeten verzekerd worden ten aanzien van eenieder die zich onder rechtsmacht van de (Belgische) staat bevindt. Legaal verblijf kan dus geen conditio sine qua non zijn om over grondrechten te kunnen beschikken, een stelling die herhaaldelijk bevestigd werd door de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens te Straatsburg.
Artikel 1 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie stelt zonder enige voorwaarde of beperking dat de menselijke waardigheid onschendbaar is en dat zij moet worden beschermd en geëerbiedigd. De in het Handvest opgenomen grondrechten zijn niet enkel van toepassing op EU - onderdanen maar ze moeten door de Instellingen en de organen van de Europese Unie eveneens gewaarborgd worden ten aanzien van ‘eenieder’. De enige uitzonderingen hierop zijn een heel beperkt aantal grondrechten die uitdrukkelijk voorbehouden werden aan EU– en/of niet-EU onderdanen die legaal verblijven in en reizen binnen de EU.
De Internationale VN-Conventie van 18 december 1990 inzake de bescherming van de rechten van alle arbeidsmigranten en hun gezinsleden beoogt de bescherming van de mensenrechten van elkeen die als arbeidsmigrant kan worden beschouwd, ongeacht zijn of haar legale verblijfsstatus.
Het VN-Verdrag inzake de Rechten van het Kind van 20 november 1989, in de Vlaamse Gemeenschap goedgekeurd bij decreet op 15 mei 1991, beoogt de rechten van kinderen te waarborgen en te promoten en dat voor alle kinderen zonder onderscheid. Artikel 2, lid 1 van het Kinderrechtenverdrag stelt dat de in het verdrag opgesomde grondrechten zonder enige discriminatie moeten gewaarborgd worden ten aanzien van ieder kind dat zich onder de rechtsbevoegdheid van de (Belgische) staat bevindt.
Het decreet inzake het Vlaamse beleid t.a.v. etnisch-culturele minderheden van 28 april 1998 tenslotte stelt dat het Vlaams minderhedenbeleid een spoor opvangbeleid omvat dat gericht is op de opvang en oriëntering van die mensen zonder wettig verblijf die wegens hun noodsituatie opvang en bijstand vragen. De notie ‘oriëntering’ geeft aan dat het begeleiden van mensen zonder wettig verblijf gekoppeld moet worden aan het uitwerken van een zinvol toekomstperspectief (regularisatie en integratie, overlevingsstrategie, terugkeer of migratie). Het opvangbeleid is een inclusief beleid dat prioritair gevoerd wordt op de beleidsdomeinen welzijn, gezondheidszorg en onderwijs. Bij dit alles staat respect voor de menselijke waardigheid en de fundamentele mensenrechten voorop.
Niet alleen de zorg voor het effectueren van grondrechten van mensen zonder wettig verblijf maar evenzeer de zorg voor het algemeen belang, verantwoorden de noodzaak van een opvangbeleid. Het zoeken naar wegen en instrumenten om ook mensen zonder verblijfsstatus te bereiken, komt immers de stabiliteit en sociale cohesie van de samenleving en de veiligheid en gezondheid van de andere burgers ten goede.
In volkswijken met een sterke concentratie mensen zonder wettig verblijf stelt zich immers een specifieke samenlevingsproblematiek. Er ontstaat een nieuwe kloof tussen de gevestigde (autochtone en allochtone) bewoners en deze nieuwe groep inwijkelingen die veelal als ongewenste indringers worden beschouwd. Bovendien maakt de overlevingsstrategie waarop mensen zonder wettig verblijf soms moeten terugvallen dat overlast en onveiligheid in de wijk daadwerkelijk kunnen toenemen.
Bevorderen van het harmonieus samenleven in deze wijken kan evenwel niet los van de mensen zelf gebeuren. Als mede-inwoners van de wijk moeten mensen zonder wettig verblijf mee betrokken worden bij initiatieven gericht op het bevorderen van het participatief burgerschap. Bovendien ontstaan er vanuit deze volkswijken soms ook netwerken die mensen zonder wettig verblijf ondersteunen en helpen. Het bereiken en betrekken van deze wijkbewoners en hun netwerken en het ontwikkelen van aangepaste methodieken van samenlevingsopbouw is een opdracht van de geëigende structuren voor samenlevingsopbouw.
Bevorderen van het harmonieus samenleven kan anderzijds niet losgekoppeld van het voeren van een opvangbeleid. Het in praktijk brengen van de kerntaken van het opvangbeleid zal immers de leefsituatie van mensen zonder wettig verblijf in nood verbeteren wat een positieve impact zal hebben op het samenleven in de wijk.
Besluit
Internationale mensenrechtelijke engagementen binden ook de Vlaamse overheid
Elke natuurlijke persoon die zich feitelijk op het Belgisch grondgebied bevindt, en dus ook elke veemdeling zonder wettig verblijf, beschikt t.a.v. de Belgische staat over een aantal grondrechten, rechten en plichten.
Maar …
Het feit dat mensen zonder wettig verblijf onder het toepassingsgebied van een aantal grondrechten vallen, wil echter niet zeggen dat deze grondrechten zonder meer afdwingbaar zijn. Bovendien is er geen eenduidige en duidelijke afbakening van de ondergrens van beleidsvrijheid die een staat op het vlak van sociaal-economische grondrechten bezit. Dat sociale rechten een ‘harde kern’ (een zogeheten minimum core) bezitten die de overheid moet effectueren, wordt algemeen aanvaard. Bepaalde van deze rechten zijn ondertussen vertaald in engagementen vanwege de overheid en in concrete regelgeving (vb. dringende medische hulp, toegang tot onderwijs voor minderjarigen). Op andere punten is dit (nog) niet het geval en is het minder duidelijk wat deze ‘minimum core’ kan inhouden. Voorliggende nota kan beschouwd als een aanzet om dit te verduidelijken.
De internrechtelijke bevoegdheidsregeling maakt dat de Vlaamse overheid een beleid naar mensen zonder papieren kàn voeren.
De bevoegdheidsverdeling tussen Vlaams en federaal niveau maakt dat de Vlaamse overheid een beleid naar mensen zonder papieren kàn voeren. De bijzondere wetgever laat bevoegdheidsruimte aan de Vlaamse overheid voor het voeren van een sociaal beleid naar mensen zonder wettig verblijf. Het minderhedendecreet omschrijft deze bevoegdheidsruimte voor wat de Vlaamse overheid betreft. De federale overheid van haar kant heeft - binnen haar eigen bevoegdheden - eveneens aandacht voor het effectueren van welbepaalde sociale rechten van de doelgroep.
Het Vlaamse opvangbeleid is complementair aan het federale migratie- en asielbeleid
Het Vlaamse opvangbeleid is complementair aan het federale migratie- en asielbeleid en tast dus geenszins de belangen van de federale overheid ter zake aan. Via de inhoud die de Vlaamse overheid via het minderhedendecreet gegeven heeft aan het opvangbeleid, kan niet anders dan vastgesteld worden dat dit beleid complementair is aan dat van de federale overheid en geenszins een tegenwerking inhoudt. Het feit dat een adequaat opvangbeleid niet alleen de betrokkenen maar ook de samenleving zelf ten goede komt, versterkt deze complementariteit.
De zorg voor het algemeen belang is immers een gedeelde zorg van alle bestuursniveaus. Het voeren van een opvangbeleid schaadt dan ook geenszins het beginsel van de federale loyauteit, zijnde de plicht van de onderscheiden overheden om elkaars belangen niet te schaden.
In relatie tot het federale migratie- en asielbeleid laat het beginsel van de federale loyauteit in casu in hoofde van de Vlaamse overheid immers een zekere ruimte voor het nemen van een aantal sociale maatregelen naar mensen zonder wettig verblijf.
Maar …
Een complementair Vlaams beleid gericht op het effectueren van grondrechten van mensen zonder wettig verblijf zal effectiever zijn wanneer er gelijktijdig een realistisch migratiebeleid wordt gevoerd op het vlak van terugkeer, gekoppeld aan (ontwikkelings)samenwerking met de betrokken landen van herkomst, en op het vlak van het toekennen van verblijfsstatuten.
Het voeren van een opvangbeleid is in hoofdzaak een kwestie van willen. Wat wil de Vlaamse overheid doen om te verhinderen dat mensen zonder wettig verblijf in onmenselijke omstandigheden moeten leven en om te voorkomen dat het algemeen belang geschaad wordt ?
Een Vlaamse overheid die verwacht dat lokale overheden in het kader van het Vlaams minderhedenbeleid inspanningen leveren om de grondrechten van mensen zonder wettig verblijf te effectueren, zal de lokale besturen hierbij hoe dan ook – inhoudelijk en /of financieel - moeten ondersteunen.
Waarom het voeren van een opvangbeleid een kerntaak van de overheid is
Op 25 april 2003 ondertekenden de Vlaamse regering, de Vereniging van Vlaamse Provincies en de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten het "Bestuursakkoord tussen het Vlaams, het provinciaal en het lokaal bestuursniveau omtrent een effectief en burgergericht overheidsbestuur in Vlaanderen". Dit akkoord vormt het resultaat van het kerntakendebat. Het bevat de resultaten in elk van de verschillende beleidsdomeinen en concrete afspraken voor de implementatie en het stroomlijnt de verhoudingen tussen de drie bestuursniveaus. Bovendien wordt het overleg tussen de bestuursniveaus in de verschillende beleidsdomeinen geïnstitutionaliseerd waarbij de uitvoering van de thematische afspraken onder de verantwoordelijkheid van de werkgroepen onder voorzitterschap van de functioneel bevoegde ministers komt te liggen. De drie bestuursniveaus engageren zich ertoe de afspraken van het bestuursakkoord na te leven en te honoreren.
Afspraken over het minderhedenbeleid, als element van het horizontaal gelijkekansenbeleid, zijn opgenomen in de Consolidatienota van de politieke thematische werkgroep Welzijn en Gezondheid van 21.06.02. Wat dit horizontaal gelijkekansenbeleid betreft, stelt § 3.1 van deze consolidatienota volgende cruciale elementen voorop:
de verantwoordelijkheid van elk bestuursniveau om hierin een voorbeeldfunctie op te nemen als werkgever en beheerder van voorzieningen t.a.v. elke burger (man/vrouw) en alle doelgroepen (allochtonen, mensen met een handicap, ouderen, kinderen, kansarmen, holebi’s, ..)
de Vlaamse, provinciale en lokale beleidsautonomie voor het voeren van een horizontaal gelijkekansenbeleid tav. het eigen grondgebied, dat wil zeggen dat elk bestuursniveau de nodige aandacht voor gender en doelgroepen integreert in de beleidsvoering en daarvoor de nodige structuren en /of acties opzet om dit mogelijk te maken.
De Consolidatienota ‘Welzijn en Gezondheid’ gaat ook in op bij de consequenties van het kerntakendebat voor het Vlaamse, provinciale en lokale bestuursniveau
Vlaams bestuursniveau
(§ 3.2)(…) Daar waar een bestuursniveau beleidsautonomie heeft, heeft dat bestuursniveau ook de vrijheid om die kerntaak zelf in te vullen, dwz. van minimaal tot maximaal. Dit heeft als logisch gevolg dat wanneer het Vlaamse bestuursniveau oordeelt dat er bepaalde rechten of diensten moeten gewaarborgd zijn voor elke burger in Vlaanderen, die garantie op drie manieren kan worden gerealiseerd:
door een Vlaams beleid te bepalen en zelf uit te voeren (vb. opvangbeleid tav. illegale verblijvers uitstippelen of zelf opvang organiseren)
door een Vlaams beleid te bepalen en een uitvoerende rol op te leggen aan de provincies en / of lokale besturen (vb. opvangbeleid tav. illegale verblijvers uitstippelen en de lokale besturen verplichten een bepaalde vorm van opvang te voorzien)
door een ‘convenant’ af te sluiten met één of meer provincies en/of één of meer gemeenten, vanuit de erkenning dat het gaat om een gedeelde verantwoordelijkheid (vb. inzake opvang van illegale verblijvers tot taakverdeling en afspraken komen tussen verschillende bestuursniveaus)
Als Vlaanderen geen ‘harde garanties’ noodzakelijk acht, dan kan men via Vlaamse regelgeving het gewenste beleid aanmoedigen, vb. door ter beschikking stellen van subsidies aan lokale besturen die illegale verblijvers opvangen. In die situatie maken de provincie en/of de lokale besturen zelf de keuze om hier wel of niet op in te tekenen
.Provinciale bestuursniveau
(§ 3.3)(…) De provincies profileren zich op het terrein van Welzijn en Gezondheid als besturen met bovenlokale opdracht (taken die ze zelfstandig kunnen opnemen), gebiedsgericht (met alle aanwezige actoren) en ondersteunend. De provincies hebben gedacht vanuit de invalshoek van functies die geconcretiseerd worden op actieterreinen. (…).
Lokale bestuursniveau (§ 3.4)
De lokale overheid staat mede garant voor een basisdienstverlening op het vlak van welzijn naar zijn burgers. Het bepalen van zekere minimumgaranties en het vastleggen van standaarden is mede de kerntaak van het lokaal bestuur. De uitvoering van die basisdienstverlening kan uitbesteed worden aan derden. Daar waar derden die rol niet kunnen opnemen, zal de lokale overheid zelf initiatief nemen. (…)
In het lokale welzijnslandschap zijn veel private actoren bezig. (…) Op beleidsmatig vlak is er nood aan afstemming van al deze initiatieven met elkaar en met de publieke welzijns- en gezondheidsinitiatieven. Complementariteit en gerichte doorverwijzing naar elkaar moet een belangrijke doelstelling zijn van een lokaal welzijnsoverleg. Een intens netwerk tussen al de welzijnspartners is nodig. Om dit op lokaal vlak mogelijk te maken is het noodzakelijk dat het lokaal bestuur vanuit het algemeen belang deze coördinerende taak opneemt. Coördineren wil ook zeggen: overaanbod vermijden, blinde vlekken invullen. Deze coördinerende taak duidelijk geëxpliciteerd opnemen is een taak van het lokaal bestuur. (…)
In de consolidatienota wordt tenslotte ook een opsomming gegeven van die specifieke dossiers waarin de verschillende bestuursniveaus engagementen opnemen Het minderhedenbeleid is één van deze specifieke dossiers. Volgende (voor deze nota relevante) afspraken zijn opgenomen (§ 5.3):
alle bestuursniveaus erkennen de voorbeeldfunctie die zij in dit dossier moeten opnemen
Vlaanderen, de provincies en de lokale besturen engageren zich om te investeren in een inclusief en gecoördineerd minderhedenbeleid, voor wat de eigen bevoegdheden betreft (dwz. integreren van deze doelgroepen in de beleidsvoering op alle domeinen)
de lokale besturen engageren zich mbt. het opvangbeleid tav. illegale verblijvers, dwz. tot het samenbrengen van alle actoren op lokaal niveau die geconfronteerd worden met deze problematiek om in onderling overleg te zoeken naar wenselijke en haalbare oplossingen met het oog op het verstrekken van onderwijs, huisvesting, voedsel, gezondheidszorg, tewerkstelling en opleiding, …
Het opvangbeleid voor mensen zonder wettig verblijf maakt deel uit van het minderhedenbeleid. De afspraken opgenomen in de Consolidatienota ‘Welzijn en Gezondheid’ gelden bijgevolg ook voor het opvangbeleid.
Het is aangewezen om bij het bepalen van de opdrachten van de lokale overheid inzake opvangbeleid ook rekening te houden met de aanwezigheid van de doelgroep. Steden met een sterke concentratie mensen zonder wettig verblijf hebben een andere taakstelling inzake opvangbeleid dan steden en gemeenten waar er slechts een beperkt aantal mensen verblijven.
Brussel buiten beschouwing gelaten, worden inzonderheid de steden Antwerpen en Gent met een grote aanwezigheid van mensen zonder wettig verblijf geconfronteerd. Ook in andere centrumsteden verblijven er heel wat mensen zonder verblijfsstatus.
De specifieke taakstelling van gemeenten en OCMW inzake opvangbeleid kan ook niet losgezien van de concrete vormgeving van het lokaal sociaal beleid. Hoewel alle lokale besturen een taakstelling hebben naar mensen zonder wettig verblijf die in de gemeente verblijven, zal de concrete invulling ervan mede afhankelijk zijn van de mate van concentratie van de doelgroep in de gemeente.
AANBEVELING 1
In gemeenten waar een integratiedienst aanwezig is, moet het lokaal opvangbeleid gekaderd worden binnen het lokaal minderhedenbeleid. Het is aan de integratiediensten om in te staan voor de regie van het eigen opvangbeleid. Vanuit deze regisserende rol hebben moeten ze voldoende zicht hebben op de initiatieven die in de gemeente genomen worden naar mensen zonder wettig verblijf.
In steden met een sterke concentratie mensen zonder wettig verblijf moet het lokaal opvangbeleid ook gekaderd worden binnen het stedenbeleid. Dit houdt in dat de middelen uit het stedenfonds ook moeten ingezet worden om te vermijden dat mensen zonder wettig verblijf in mensonwaardige omstandigheden moeten overleven.
Het is aan de Vlaamse overheid om er voor te zorgen dat de steden de mogelijkheid hebben om de middelen uit het stedenfonds ook in te zetten voor initiatieven naar burgers zonder wettig verblijf.
Het is aan de lokale besturen om deze mogelijkheid op het terrein te benutten.
Het is aan VVSG om de lokale besturen hierbij te ondersteunen en te inspireren.
Het provinciaal opvangbeleid moet gekaderd worden binnen het provinciaal minderhedenbeleid.
Het is aan de provincies om – vertrekkend van de taakstelling van de lokale besturen op het vlak van opvangbeleid – de eigen taken concreet in te vullen.
Het is aan VVP om de provincies hierbij te ondersteunen en te inspireren
Het is aan de provinciale integratiecentra en -diensten om het provinciaal opvangbeleid mee te stimuleren en te ondersteunen en om zicht te hebben op de initiatieven die in de provincie genomen worden naar mensen zonder wettig verblijf.
Het verschil tussen ‘wat moet’ en ‘wat mag’ als uitgangspunt bij het bepalen van kerntaken van het opvangbeleid
Het is een algemeen aanvaard uitgangspunt dat wat afdwingbaar is door de overheid moet georganiseerd worden, wat vanuit ethisch oogpunt wenselijk is, door de overheid mag georganiseerd worden. Dit geldt ook voor het opvangbeleid. Bij het afbakenen van taken tussen de overheid (op de drie bestuursniveaus) en het particulier initiatief dient steeds met dit principe rekening gehouden.
Lokale besturen moeten het nodige doen zodat mensen zonder wettig verblijf die op hun grondgebied verblijven de rechten kunnen effectueren die vertaald zijn in engagementen vanwege de overheid en dus als afdwingbaar kunnen beschouwd. In de context van een lokaal opvangbeleid zijn momenteel slechts een beperkt aantal rechten afdwingbaar, waaronder:
recht op dringende medische hulp
recht op onderwijs voor kinderen zonder wettig verblijf (Omzendbrief van 24.06.99, vervangen door de Omzendbrief van 24.02.03)
recht op juridische bijstand
recht op huwen
Vanuit ethisch oogpunt is het aanbevelenswaardig dat lokale overheden inspanningen leveren om het recht op een menswaardig leven, zoals bepaald in artikel 23 van de Grondwet, ook toe te kennen aan mensen zonder wettig verblijf die op hun grondgebied verblijven. Dit sociaal grondrecht, geëxpliciteerd in een aantal sociaal-economische rechten heeft evenwel geen directe werking. Anderzijds is het niet strafbaar om mensen in nood te helpen, ook niet als ze zonder wettig verblijf in de gemeente verblijven (art. 77 van de Vreemdelingenwet).
AANBEVELING 2
Conform het kerntakendebat hebben lokale overheden in elk geval de opdracht om zich te engageren voor het opvangbeleid, d.w.z. tot het samenbrengen op lokaal niveau van alle actoren die geconfronteerd worden met deze problematiek om in onderling overleg te zoeken naar wenselijke en haalbare oplossingen met het oog op het verstrekken van onderwijs, huisvesting, voedsel, gezondheidszorg, tewerkstelling en opleiding, ….
Wanneer men lokaal vaststelt dat het particulier initiatief er niet in slaagt om mensen zonder wettig verblijf in nood de basisvoorwaarden voor een menswaardig bestaan aan te bieden, heeft de lokale overheid de morele opdracht om dit alsnog zelf op te nemen. Dit sluit trouwens aan bij § 3.4 van de consolidatienota ‘Welzijn en Gezondheid’
Conform het kerntakendebat hebben provinciale overheden de opdracht om lokale besturen te ondersteunen bij het voeren van een lokaal opvangbeleid.
In de context van het Vlaamse minderhedenbeleid is het aangewezen om voor wat de eigen bevoegdheden betreft en in afspraak met de provinciale overheden, de nodige instrumenten en middelen ter beschikking te stellen van de lokale overheid voor het voeren van een lokaal opvangbeleid. Dit sluit trouwens aan bij §3.2 van de consolidatienota ‘Welzijn en Gezondheid’, .
In de context van het federale vreemdelingenbeleid is het aangewezen om tijdelijke verblijfsstatuten te voorzien voor mensen die (bijkomende) bescherming nodig hebben.
Principes van behoorlijk bestuur als uitgangspunt van het opvangbeleid
Net zoals andere burgers hebben mensen zonder wettig verblijf recht op een toegankelijke en correcte dienstverlening die het non-discriminatiebeginsel respecteert. Deze principes van goed bestuur gelden voor de drie bestuursniveaus.
Toegankelijke dienstverlening houdt in dat mensen zonder wettig verblijf – net zoals andere burgers - beroep moeten kunnen doen op die dienstverlening waar zij recht op hebben. Dienstverlening waarvoor in de wet geen uitzondering is voorzien voor mensen zonder wettig verblijf moet m.a.w. ook openstaan voor mensen zonder wettig verblijf.
Toegankelijke dienstverlening houdt ook in dat de administratieve praktijken dusdanig georganiseerd worden dat mensen zonder wettig verblijf niet de facto uitgesloten worden van deze dienstverlening. Administratieve hinderpalen, bijvoorbeeld het toekennen van een dienstverlening afhankelijk maken van het kunnen voorleggen van welbepaalde officiële attesten waarover mensen zonder wettig verblijf niet kunnen beschikken, creëren extra drempels en zijn uitingen van onbehoorlijk bestuur.
Correcte dienstverlening houdt in dat er aan het toekennen van steun- of dienstverlening aan mensen zonder wettig verblijf geen onredelijke en/of willekeurige eisen worden gesteld die extra drempels creëren waardoor de toegang tot de dienstverlening extra bemoeilijkt wordt. Correcte dienstverlening houdt ook in dat klachtenprocedures openstaan voor en bekendgemaakt worden bij mensen zonder wettig verblijf.
Respect voor het non-discriminatiebeginsel vloeit voort uit het feit dat non-discriminatieregelgevingen eveneens van toepassing zijn voor mensen zonder wettig verblijf, ook al valt de verblijfsstatus als dusdanig niet onder de discriminatiegronden.
AANBEVELING 3
Het is aan elke sector en elk bestuursniveau om er op toe te zien dat de principes van behoorlijk bestuur effectief worden toegepast bij de dienstverlening aan mensen zonder wettig verblijf.
Het is aan de bevoegde ombudsdiensten om de dienstverlening op hun toegankelijkheid en correctheid te beoordelen.
In uitvoering van de antidiscriminatiewetgeving hebben de drie bestuursniveaus de opdracht er over te waken dat mensen zonder wettig verblijf niet gediscrimineerd worden op basis van nationaliteit, herkomst, godsdienst of huidskleur.
Informatie- en communicatiebeleid als onderdeel van het opvangbeleid
Elke overheid heeft de plicht de bevolking op haar grondgebied correct en tijdig te informeren. Deze informatieplicht geldt ook t.a.v. mensen zonder wettig verblijf.
Voor lokale besturen houdt dit minimaal in dat zij mensen zonder wettig verblijf informeren over de stand van zaken in hun dossier en over de particuliere initiatieven waar zij terecht kunnen voor verder oriëntering en begeleiding en voor noodhulp.
De lokale overheid kan het particulier initiatief inschakelen als kanaal voor informatieverstrekking. Zij kan evenwel in geen geval de eindverantwoordelijkheid voor de informatieverstrekking overlaten aan het particulier initiatief.
Voor lokale besturen is het niet altijd even duidelijk hoe zij de principes van goed bestuur moeten toepassen wanneer het over mensen zonder wettig verblijf gaat. Duidelijke informatie naar de lokale besturen kan hieraan tegemoetkomen.
Het ter beschikking stellen aan de lokale ambtenaren van een ‘loketboekje’ waarin de verblijfswetgeving en de rechten op dienstverlening voor mensen zonder wettig verblijf op een bevattelijke en toegankelijke wijze zijn opgenomen kan hier een oplossing bieden. In Gent vb. werkt de dienst vreemdelingenzaken van de stad met een dergelijk loketboekje / checklist dat duidelijk aangeeft bij welke administratieve handelingen wat moet gevraagd en gecontroleerd. Dit boekje laat toe dat ambtenaren – zonder daarom deskundig te zijn in vreemdelingenwetgeving – een correcte dienstverlening aanbieden, ook aan mensen zonder wettig verblijf.
Dit informatiebeleid wordt best ondersteund door een aanvullend opleidings- en vormingsbeleid gericht op het verankeren van de principes van goed bestuur in de dagdagelijkse praktijk van ambtenaren.
Taalproblemen vormen een andere, bijkomende drempel om mensen zonder wettig verblijf een dienstverlening aan te bieden en om dit bovendien correct en klantvriendelijk te kunnen doen. Tolkendienstverlening en hieraan gekoppeld het uitwerken en implementeren van het sociaal tolken kan hier een oplossing bieden. Voor bepaalde vormen van dienstverlening kan aangepast ondersteunend materiaal (bv. pictogrammen) een hulpmiddel zijn.
AANBEVELING 4
Om de principes van goed bestuur te verankeren in de dagdagelijkse praktijk van ambtenaren kunnen de bestaande provinciale en stedelijke vormingsdiensten het informatiebeleid ondersteunen via een aanvullend opleidings- en vormingsbeleid.
Om de correctheid van de dienstverlening van lokale ambtenaren t.a.v. mensen zonder wettig verblijf beter te garanderen, kan de Vlaamse overheid – bij voorkeur in overleg met de federale overheid - een ‘loketboekje’ ter beschikking stellen van de lokale besturen. Het uitwerken, up to date houden, verspreiden, … van dit loketboekje gebeurt bij voorkeur via een specifiek project in het kader van het minderhedenbeleid, in nauwe samenwerking met VVSG en het Vlaams Minderhedencentrum.
Om taalproblemen die een adequate, correcte en klantvriendelijke dienstverlening in de weg staan te verhelpen, moet er voorzien in een kwaliteitsvol tolkenaanbod. Het voorzien in het kader voor een degelijke tolkendienstverlening is een opdracht van de Vlaamse overheid. Het voorzien in concrete tolkendienstverlening op het terrein en het uitwerken van ondersteunend materiaal is een gezamenlijke opdracht van de drie bestuursniveaus.
Vrijwilligersbeleid als onderdeel van het opvangbeleid
Bij de opvang van mensen zonder wettig verblijf spelen vrijwilligers een belangrijke rol. In tegenstelling tot het klassieke vrijwilligerswerk gaat het hier veelal om initiatieven van individuele mensen, los van organisaties of instellingen. Gezien het persoonlijk karakter is de betrokkenheid bij de doelgroep vaak zeer intensief maar ontbreken de mogelijkheden voor een goede begeleiding naar een toekomstperspectief. Een goed opvangbeleid moet bijgevolg ook een vrijwilligersbeleid zijn.
Bij de opvang van mensen zonder wettig verblijf spelen de eigen gemeenschappen eveneens een belangrijke rol. Het kan hierbij zowel gaan om socio-culturele verenigingen als om religieuze of andere levensbeschouwelijke groepen. Vaak zijn hun ontmoetingsplaatsen de eerste plaatsen van waaruit mensen zonder wettig verblijf ondersteuning krijgen. Het is aangewezen om bij het uitwerken van een vrijwilligersbeleid voldoende oog te hebben voor de eigen gemeenschappen.
AANBEVELING 5
Het uitwerken van een vrijwilligersbeleid als onderdeel van het opvangbeleid is een taak van de Vlaamse overheid in samenspraak met de vrijwilligerswerkingen, de eigen gemeenschappen en de minderhedensector.
De lokale overheid kan instaan voor de financiering van de vrijwilligerswerking naar mensen zonder wettig verblijf. Belangrijk hierbij is om enkel die werkingen te financieren die het aspect ‘begeleiding en oriëntatie’ mee opnemen. De minderhedensector heeft hierbij een faciliterende opdracht.
Aandacht voor het tastbaar maken van grondrechten voor mensen zonder wettig verblijf
Het op gang trekken en ondersteunen van emancipatieprocessen die mensen in staat stellen hun rechten op te nemen en waar te maken is een exclusieve opdracht van het particulier initiatief. Dit geldt ook voor de doelgroep mensen zonder wettig verblijf.
Voor mensen zonder wettig verblijf moet er een aangepast aanbod ‘maatschappelijke oriëntatie’ worden voorzien. Dit aanbod omvat enerzijds een luik informatieverstrekking over de samenleving waarin zij zich bevinden, de rechten die zij hebben in deze samenleving en de voorzieningen die hen kunnen ondersteunen bij het effectueren van hun rechten. Dit aanbod omvat anderzijds een luik oriëntering waarbij aandacht wordt besteed aan het uitklaren van het toekomstperspectief, hetzij regularisatie en integratie, hetzij terugkeer of migratie, hetzij de keuze voor een overlevingsstrategie.
Mensen die dit aanbod volgen en nood hebben aan individuele sociaal-juridische begeleiding of hulpverlening moeten systematisch doorverwezen worden naar de gepaste voorziening.
Dit aanbod wordt best daar georganiseerd waar de doelgroep het best te bereiken is. Wellicht is dit het wijkniveau. Voor ondersteuning moeten de aanbodverstrekkers terecht kunnen bij het Vlaams Minderhedencentrum dat hier een taak als aanspreekpunt en centrum van expertiseopbouw kan opnemen.
AANBEVELING 6
Het is aangewezen om een aangepast aanbod maatschappelijke oriëntatie voor mensen zonder wettig verblijf te organiseren. Binnen het lokaal netwerk opvangbeleid kan bepaald worden welke partner het meest toegerust is om dit op zich te nemen.
Onthaalbureaus kunnen - vanuit hun expertise – betrokken worden bij de ontwikkeling van dit aanbod., Het is evenwel geenszins aangewezen om onthaalbureaus op te dragen dit aanbod te organiseren.
De Vlaamse overheid van haar kan voorzien in een kader voor dit aangepast aanbod maatschappelijke oriëntatie voor mensen zonder wettig verblijf.
Effectueren van het recht op onderwijs voor minderjarigen
Uitgaande van de fundamentele mensenrechten en in uitvoering van het kinderrechtenverdrag hebben alle minderjarigen recht op onderwijs. De Grondwet verankert dit recht op onderwijs in artikel 24,§3. Bij het effectueren van dit recht is zowel voor de Vlaamse, de provinciale als voor de lokale overheid een taak weggelegd. Onderwijskoepelorganisaties vervullen hierbij een ondersteunende opdracht.
De omzendbrief van 24 maart 2003 - het recht op onderwijs voor kinderen zonder wettig verblijf - verduidelijkt het recht op onderwijs in de leerplichtleeftijd. Het is de taak van de onderwijsoverheid om via sensibiliserende en informatieve activiteiten de openheid van scholen voor kinderen zonder papieren te bestendigen en te versterken.
Omdat het recht op onderwijs méér inhoudt dan het geven van recht op toegang tot dit onderwijs, moet de Vlaamse overheid bovendien ernstige inspanningen blijven doen om de bestaande financiële drempels in het leerplichtonderwijs weg te werken.
Lokale besturen kunnen een actieve rol spelen bij het helpen vinden van kinderen zonder wettig verblijf die hetzij niet ingeschreven zijn in de school, hetzij onregelmatig school lopen en bij het toeleiden van deze kinderen naar school. Politiediensten en meer in het bijzonder jeugdbrigades zijn vaak de eersten die merken dat kinderen niet naar school gaan. Daarnaast kunnen lokale besturen ook financieel tussenkomen in de schoolkosten van minderjarigen zonder wettig verblijf.
Lokale actoren kunnen vastgestelde problemen signaleren aan het lokaal overlegplatform (LOP) inzake gelijke onderwijskansen. In het kader van dit LOP kunnen scholen, in samenwerking met lokale sociale actoren, concrete afspraken maken en zoeken naar strategieën om minderjarigen zonder wettig verblijf naar de school toe te leiden.
De eigen gemeenschappen kunnen ouders en kinderen eveneens sensibiliseren om gebruik te maken van het recht op onderwijs.
AANBEVELING 7
Om de openheid van scholen voor kinderen zonder wettig verblijf te bestendigen en te versterken is het aangewezen dat de onderwijsoverheid, hierin ondersteund door de onderwijskoepels, verdere sensibiliserende en informatieve activiteiten rond de concrete toepassing van het recht op onderwijs blijft ontwikkelen.
Van de ondersteuningsstructuren van de onderwijsnetten wordt verwacht dat zij de nodige kennis en competentie verwerven om binnen de eigen reguliere informatie- en sensibiliseringsopdrachten systematisch aandacht te besteden aan de inhoud en toepasbaarheid van de omzendbrief inzake het recht op onderwijs voor minderjarigen zonder wettig verblijf.
Om een maximale toegankelijkheid van het onderwijs voor kinderen zonder wettig verblijf te garanderen, is het noodzakelijk de bestaande financiële drempels in het leerplichtonderwijs weg te werken. In het Vlaams Actieplan Armoedebestrijding dat de Vlaamse regering op 23 februari 2001 heeft goedgekeurd, is de verdere realisatie van de kosteloosheid van het leerplichtonderwijs trouwens als doelstelling vooropgesteld.
Wat het secundair onderwijs betreft, kan dit onder meer door het stelsel van studietoelagen toegankelijk te maken voor minderjarigen met een precair of zonder wettig verblijf. Hiervoor kan beroep gedaan op artikel 1, 4° van het KB van 01/02/79 dat stelt dat ‘diegenen die op de datum gesteld voor het indienen van de aanvraag sedert minstens 2 jaar met hun gezin in België verblijven ook recht hebben op een studietoelage", mits de notie ‘verblijven’ niet enkel geïnterpreteerd wordt als zijnde ‘ingeschreven in het vreemdelingenregister’.
Wat het basisonderwijs betreft, kan de mogelijkheid onderzocht om een stelsel van studietoelagen in te voeren dat van meet af aan ook toegankelijk is voor minderjarigen met een precair of zonder wettig verblijf.
Om zoveel mogelijk minderjarigen zonder wettig verblijf op de schoolbanken te krijgen en te houden, is het belangrijk dat lokale besturen de politiediensten, jeugdbrigades en lokale sociale partners degelijk informeren omtrent het recht op onderwijs en de plicht om, ééns ingeschreven in een school, de lessen regelmatig te volgen.
Het is ook belangrijk hieromtrent in het LOP goede afspraken te maken en te voorzien in een duidelijk contact- en doorverwijspunt, hetzij het CLB, hetzij een andere organisatie. Het is ook aangewezen om buiten de scholen aanspreekpunten te voorzien die vertrouwd zijn met de doelgroep.
Het is tenslotte belangrijk om de eigen gemeenschappen goed te informeren over het recht op onderwijs. Lokale besturen kunnen hiervoor een beroep doen op het eigen verenigingsleven, de minderhedensector of andere brugfiguren naar deze gemeenschappen.
Effectueren van het recht op gezondheidszorg
Gezondheidszorg is een fundamenteel recht, erkend door de belangrijkste multilaterale organisaties actief in de volksgezondheid zoals de Wereldgezondheidsorganisatie en de Raad van Europa. Dit basisrecht is omschreven in internationale verdragen
Gezondheidszorg als basisrecht beperkt zich in België tot dusver tot het recht op ‘dringende medische hulp’. Het recht op dringende medische hulp is bepaald in art.57, §2 van de organieke wet op de OCMW van 8 juli 1976. Het begrip 'dringende medische hulpverlening' van het artikel 65 van de wet van 15 juli 1996 kreeg door het Koninklijk Besluit van 12 december 1996 meer vorm. Dit KB trad op 10 januari 1997 in werking. Het KB en zijn toepassing is een federale aangelegenheid waar de Vlaamse overheid weinig vat op heeft.
Het KB van 12 december ‘96 bepaalt dat deze dringende medische hulp zowel van preventieve als van curatieve aard kan zijn en dat deze ambulant of in een verplegingsinstelling kan worden verstrekt. Het gaat hier dus om een ruim spectrum van zorgverstrekkingen. Enkel een erkende zorgverstrekker is bevoegd om aan de hand van een medisch getuigschrift de dringende noodzakelijkheid van de verstrekkingen te bepalen.
Het is de taak van het OCMW om de dringende medische hulp ten laste nemen. Het OCMW kan haar kosten echter terugvorderen van de federale overheid. Het OCMW heeft eveneens een belangrijke rol in de uitvoering van dit KB, met name het verduidelijken van de regelingen en de termijnen waarbinnen zorgverstrekkers de documenten voor terugbetaling moeten indienen en het bekendmaken van de regeling bij de zorgverstrekkers, sociale diensten en de mensen zonder wettig verblijf. Hiertoe kunnen OCMW’s samenwerkingsverbanden of conventies afsluiten met zorgverstrekkers, folders verspreiden in verschillende talen naar de doelgroep toe of voor de zorgverstrekkers, etc.
Op het terrein stelt men vast dat de bekendheid van het KB nog te wensen overlaat, zeker in bepaalde regio’s of bij bepaalde doelgroepen. Ook de toepassing van dit KB levert nog steeds moeilijkheden.. Opgemerkt dient wel dat de omzendbrief van 9 juli 2002 ‘Dringende medische hulp verstrekt aan vreemdelingen die onwettig in het Rijk verblijven – bevoegdheidsregeling’ van de Minister van Maatschappelijke Integratie, alvast grotendeels verduidelijkt welk OCMW territoriaal bevoegd is voor het toekennen van dringende medische hulp.
De federale verantwoordelijkheid in deze materie neemt niet weg dat Vlaamse voorzieningen inspanningen doen om de toepassing van het KB te verbeteren. Zo werkte Kind en Gezin in 2000 actief mee binnen een werkgroep rond de regeling dringende medische hulp en werden de regioteamleden van Kind en Gezin geïnformeerd over de toepassing van het KB.
Mensen zonder wettig verblijf hebben nog steeds quasi geen toegang tot de residentiële geestelijke gezondheidszorg. De huidige bepalingen in het KB dringende medische hulp betreffende de verpleeginstellingen hebben tot gevolg dat heel wat voorzieningen voor geestelijke gezondheidszorg niet in aanmerking komen voor terugbetaling. Vanuit het werkveld werd hierover nochtans een concreet en eenvoudig voorstel van K.B. voorgesteld.
Mensen zonder wettig verblijf hebben wel toegang tot de ambulante centra voor geestelijke gezondheidszorg maar worden hier te vaak en te vlug doorverwezen. Het is dan ook aangewezen dat de ambulante centra inspanningen leveren om zelf deskundigheid op te bouwen in het hulpverlenen aan mensen zonder wettig verblijf. Bovendien moeten de ambulante centra zich, meer dan nu het geval is, informeren over en inschakelen in initiatieven inzake taaltoegankelijkheid.
Op 15 december 2000 besliste de Vlaamse regering om bepaalde categorieën gehandicapte personen vrij te stellen van de verblijfsvoorwaarden om bijstand te genieten van het VFSIPH (Vlaams Fonds voor de sociale integratie van personen met een handicap). Voortaan kan de leidend ambtenaar vrijstelling van verblijfsduur verlenen en zo nodig van het bewijs van wettelijk verblijf op ons grondgebied als het gaat om kinderen die ingevolge een ernstige en meervoudige problematiek daadwerkelijk en binnen korte tijdsspanne nood hebben aan bijstand en waarvoor geen andere oplossing gevonden kan worden dan een vanuit het Vlaams Fonds verleende bijstand. Er dient vast te staan dat het kind niet in aanmerking komt voor andere gesubsidieerde bijstand noch in België noch in het land van herkomst.
Met deze beslissing is een stap vooruit gezet in het toegankelijker maken van gezondheidsvoorzieningen voor mensen zonder wettig verblijf, zij het dat deze maatregel enkel van toepassing is op kinderen en niet op volwassenen.
In de rand hiervan dient ook gewezen op enkele discriminerende bepalingen t.a.v. geregulariseerden met een Bewijs van Inschrijving in het Vreemdelingenregister (BIVR) en bijgevolg een verblijfsrecht van onbepaalde duur:
Zij hebben enkel onmiddellijk recht hebben op een tegemoetkoming van het VFSIPH, voor zover zij ‘met alle mogelijke middelen van recht’ een verblijf van 5 jaar (ononderbroken) of 10 jaar (indien onderbroken) kunnen aantonen in België, dit in tegenstelling tot andere vreemdelingen met een BIVR die dit recht onmiddellijk krijgen.
Zij hebben geen recht op een tegemoetkoming voor gehandicapten daar deze enkel voorbehouden is aan Belgen, EU-onderdanen, erkende vluchtelingen, staatlozen of mensen met onbepaalde nationaliteit. Het uitbreiden van de rechthebbenden tot de mensen met een vestigings- of verblijfsvergunning van onbepaalde duur kan hier een oplossing bieden.
De LOGO’s – samenwerkingsverbanden voor gezondheidsoverleg en –organisatie op bovenlokaal niveau - staan in voor de coördinatie en ondersteuning van het lokaal gezondheidsoverleg. Het is de bedoeling dat de logo’s in de eerste plaats mee acties verzorgen die aansluiten bij de prioritaire gezondheidsdoelstellingen en -thema’s Daarnaast kan een regio ook streekgebonden programma’s uitvoeren.
Bij het realiseren van de gezondheidsdoelstellingen dienen de logo’s aandacht te besteden aan etnisch-culturele minderheden, met bijzondere aandacht voor de specifieke situatie van mensen zonder wettig verblijf. Het bereiken van kansarme doelgroepen is een evaluatiecriterium voor het beoordelen van hun initiatieven in de gezondheidssector.
Daar er onvoldoende zicht is op de concrete programmatie van de logo’s t.a.v. deze doelgroep kan er momenteel niet nagaan of en in welke mate mensen zonder wettig verblijf daadwerkelijk bereikt worden. Op het terrein wordt wel vastgesteld dat er binnen de logo’s wel veel ‘goodwill’ maar niet veel ruimte is om de groep mensen zonder wettig verblijf te benaderen.
AANBEVELING 8
Om het recht op gezondheidszorg voor mensen zonder wettig verblijf via het KB dringende medische hulp beter te garanderen, kan de Vlaamse minister bevoegd voor het gezondheidsbeleid bij de federale overheid aandringen op een interministeriële conferentie over het KB, zijn begripsomschrijving en zijn toepassing.
Het informeren van zorgverstrekkers over het KB ‘dringende medische hulp’ is een publieke verantwoordelijkheid. Hierbij is een taak weggelegd voor het OCMW hierin ondersteund door VVSG..
Om de bekendheid van het KB ‘dringende medische hulp’ te verhogen kan de Vlaamse overheid, aanvullend bij de opdrachten van de federale overheid en het OCMW, in het kader van haar informatiebeleid, en in samenspraak met de federale overheid, een ‘loketboekje dringende medische hulp’ ter beschikking stellen van de OCMW’s en de gezondheidszorgverstrekkers om op die manier de vertaalslag van wet naar praktijk te faciliteren.
Het is de taak van de particuliere sector om mensen zonder wettig verblijf toe te leiden naar de gezondheidszorg, de gezondheidssector te stimuleren om dit recht op gezondheidszorg effectief toegankelijk te maken en de OCMW’s te stimuleren om hier de nodige inspanningen voor te leveren.
. In de huidige situatie is de particuliere minderhedensector de meest aangewezen partner om dit op te nemen. Op termijn kunnen ook andere particuliere organisaties deze taak opnemen. De provinciale overheden kunnen deze taak mee financieren.Om de toegang tot de geestelijke gezondheidszorg te verhogen, kan de Vlaamse overheid:
De (terug)-betalingen van de opvang van mensen zonder wettig verblijf in de psychiatrische ziekenhuizen, psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen en MPI’s bepleiten bij de federale overheid. Het voorstel van KB dat een aantal initiatieven op het terrein gezamenlijk hebben uitgewerkt, kan hierbij inspirerend zijn.
De uitbouw van een informatie- en meldpunt voor hulpverleners van de geestelijke gezondheidszorg faciliteren. Dit punt wordt best uitgebouwd binnen Platfora voor geestelijke gezondheidszorg zoals deze in elke Vlaamse provincie aanwezig zijn.
Het oprichten van een referentiecentrum voor observatie, diagnose en ondersteuning van asielzoekers, vluchtelingen en mensen zonder wettig verblijf faciliteren. Dit centrum heeft eveneens als taak om de expertise over te dragen naar de reguliere en specifieke gezondheidsdiensten inzake het werken met deze doelgroep. De inschakelijking van het Centrum voor Welzijnszorg te Laken is hier een mogelijke optie.
Om de toegang tot de preventieve gezondheidszorg te bevorderen, is het aangewezen dat de Vlaamse minister bevoegd voor gezondheidsbeleid de logo’s voldoende beleidsruimte geeft, zodat de op het terrein vastgestelde goodwill naar mensen zonder wettig verblijf, kan geconsolideerd en - meer dan nu het geval is - in concrete acties kan vertaald.
Om de communicatie tussen gezondheidsverstrekker en betrokkene zo kwalitatief mogelijk te laten verlopen, wat een vereiste is voor een goede diagnose en behandeling, moet de Vlaamse overheid voorzien in het kader voor een degelijke tolkendienstverlening. Voorzien in concrete tolkendienstverlening op het terrein is een gezamenlijke opdracht van de drie bestuursniveaus. Uitwerken van ondersteunend materiaal is een opdracht van de gezondheidssector.
Om de toegang tot de gezondheidszorg voor mensen zonder wettig verblijf op een meer structurele manier te bewerkstelligen, is het aangewezen dat de verschillende onderwijsinstellingen die gezondheidsverstrekkers opleiden in hun opleidingsaanbod voldoende aandacht besteden aan de gezondheidsrechten voor mensen zonder wettig verblijf en de wijze waarop die rechten kunnen gewaarborgd worden.
Voorzien in huisvesting en residentiële opvang
Momenteel komen mensen zonder wettig verblijf te vaak – omwille van hun moeilijke materiële omstandigheden - op de secundaire huurmarkt terecht of worden zij in voor eigenaars lucratieve verhuursystemen (vb. matrasverhuur) uitgebuit. Indien zij betaalbare, fatsoenlijke huisvesting vinden, hebben zij geen nood aan specifieke woonbegeleiding. Voor deze mensen stelt zich enkel de vraag naar de toegang tot de normale huisvesting, wat mogelijk is daar nergens in de huurwetgeving noch in de sociale huurreglementering, noch in de huursubsidie- en installatiepremieregeling melding wordt gemaakt van de voorwaarde van het bezitten van geldige verblijfspapieren.
VVSG heeft hierbij de opdracht om de lokale besturen te informeren over de relevante omzendbrieven en regelingen op het vlak van sociale huisvesting.
Sommige OCMW’s stellen in welbepaalde omstandigheden (nood)huisvesting ter beschikking of komen tussen in de huurkosten. In steden met een grote concentratie van mensen zonder wettig verblijf biedt de particuliere sector steun op het vlak van huisvesting op voorwaarde dat de betrokkene begeleiding vanuit de organisatie accepteert.
Daarnaast zijn er vrijwilligersinitiatieven en individuen die onderdak of huurgeld ter beschikking stellen aan mensen zonder wettig verblijf. Bij deze laatsten ontbreekt veelal het aspect begeleiding naar een toekomstperspectief.
Beschutte woonvormen krijgen geregeld de vraag om mensen zonder wettig verblijf op te vangen. Het tekort aan plaatsen in deze beschutte woonvormen maakt evenwel dat deze woonvormen weinig toegankelijk zijn voor mensen zonder wettig verblijf. In haar regeringsverklaring van juli 1999 heeft de Vlaamse regering nochtans uitdrukkelijk gesteld initiatieven te zullen nemen om het recht op wonen voor iedereen te realiseren, onder meer door een uitbreiding van de beschutte woonvormen en het aanbieden van woonbegeleiding en zorgwonen.
De crisisopvangcentra en onthaaltehuizen voor daklozen krijgen eveneens geregeld de vraag om mensen zonder wettig verblijf onderdak te bieden. De thuislozensector – hierin ondersteund door het Steunpunt Algemeen Welzijnswerk - is bereid om zich structureel in te schakelen in het kader van de opvang van mensen zonder wettig verblijf op de dool en binnen de bestaande opvangcapaciteit van de thuislozenzorg (
± 2.300 plaatsen) 10 % van de totale opvangcapaciteit te voorzien voor deze doelgroep, op voorwaarde dat er structureel wordt voorzien in een tussenkomst voor de verblijfskosten van deze personen.De sociale verhuurkantoren – hierin ondersteund door het Vlaams Overleg Bewonersbelangen - zijn eveneens bereid om een rol op te nemen bij de huisvesting van mensen zonder wettig verblijf, maar steeds binnen een tijdelijk en beperkt kader en binnen duidelijke krijtlijnen en dit op voorwaarde dat er een financiële tussenkomst is voor de huurrisico's door een door de Vlaamse overheid gespijsd fonds.
AANBEVELING 9
De Vlaamse overheid heeft de (morele) opdracht om de grondrechten van mensen zonder wettig verblijf, waaronder het recht op onderdak, te effectueren. Hiertoe kan zij volgende acties ondernemen:
De mogelijkheid blijven voorzien voor mensen zonder wettig verblijf om zich in te schrijven in het register van de kandidaat-huurders van een sociale huisvestingsmaatschappij en een woning toegewezen te krijgen. Het blijven voorzien van deze mogelijkheid betekent niet dat van de sociale huisvestingssector voortaan verwacht wordt dat zij als enige het huisvestingsprobleem van mensen zonder wettig verblijf zouden moeten oplossen.
De installatiepremie en de huursubsidie blijven openstellen voor mensen zonder wettig verblijf die in een huisvestingssituatie verkeren die recht opent op deze huisvestingstoelagen.
Werk maken van het voornemen om het recht op wonen te realiseren, onder meer door het uitbreiden van de beschutte woonvormen en het aanbieden van woonbegeleiding en zorgwonen. Deze uitbreiding moet er ook toe leiden dat mensen zonder wettig verblijf die daarvoor in aanmerking komen beter toegang hebben tot deze woonvormen.
Uitwerken van een structurele regeling voor en financiering van de verblijfskosten van mensen zonder wettig verblijf in de crisisopvangcentra en de onthaaltehuizen.
Uitwerken van een structurele regeling voor en financiering van een fonds dat de huurrisico’s dekt die sociale verhuurkantoren nemen wanneer zij huisvesting bieden aan mensen zonder wettig verblijf.
Het Vlaams Overleg Bewonersbelangen (VOB) heeft de taak de aangesloten leden te informeren over en te sensibiliseren voor de huisvestingsproblematiek van mensen zonder wettig verblijf. Daarnaast heeft het VOB een signaalfunctie naar de relevante huisvestingsactoren.
Het Steunpunt Algemeen Welzijnswerk (SAW) heeft de taak de thuislozensector te informeren over, te sensibiliseren voor en te bekwamen in het opvangen en begeleiden van mensen zonder wettig verblijf op de dool.
Voorzien in noodhulp
Het uitgangspunt moet zijn dat mensen zonder wettig verblijf recht hebben op volwaardige hulp. Het verstrekken van noodhulp is alleen te verantwoorden wanneer er gelijktijdig een ruimer sociaal beleid wordt gevoerd om de basisrechten van diegenen die beroep moeten doen op deze noodhulp te garanderen.
Het is een feit dat er – zelfs in de rijke welvaarstaat die Vlaanderen is – mensen leven die beroep moeten doen op noodhulp om te kunnen overleven. Binnen de noodhulp neemt voedselhulp een belangrijke plaats in. Een sleutelrol is hierbij toebedeeld voor de Voedselbank, bemand door vrijwilligers en ressorterend onder de bevoegdheid van Economische zaken . De BIRB staat in voor de coördinatie van de voedselhulp.
Ervaringen en onderzoek op het terrein geven aan dat de huidige werking van de Voedselbank de voedselzekerheid van mensen in nood onvoldoende kan garanderen. Specifiek naar mensen zonder wettig verblijf blijkt bovendien dat zij o.a. omwille van leefpatronen, vormen van gemeenschapsleven en /of voedingsgewoonten de weg naar de voedselbanken nagenoeg niet vinden. Wanneer zij de weg wel vinden, roepen zij (omwille van de taal, het vreemdeling zijn, ….) extra weerstanden op wat voor gevolg heeft dat er soms onredelijke eisen worden gesteld bij het toekennen van voedselhulp. Het optimaliseren van de werking van de Voedselbank is een bevoegdheid van de federale overheid. Dit belet niet dat er ook voor de Vlaamse, provinciale en lokale besturen een aantal taken zijn weggelegd op het vlak van het voorzien in noodhulp, waaronder voedselhulp.
Hoewel de programmawet van 30 december 1992 die de organieke wet op de OCMW van 8/7/76 en de Bijstandswet van 2/4/65 wijzigt, de OCMW-dienstverlening aan uitgeprocedeerde asielzoekers en andere illegaal verblijvende personen beperkt, kan de lokale OCMW-raad wel nog beslissen om binnen het pakket van OCMW-dienstverlening uit eigen middelen een beperkte steun te verlenen. Deze steun wordt niet terugbetaald door de federale overheid.
Momenteel sturen lokale overheden mensen zonder wettig verblijf veelal zonder meer door naar voedselbanken of andere noodhulporganisaties. die dan instaan voor de organisatie, territoriale spreiding, … van de noodhulp.
Er over waken dat iedereen die doorverwezen wordt ook effectief noodhulp krijgt, rekenen zij minder tot hun verantwoordelijkheid. Het is evenwel de taak van de lokale overheid om er voor te zorgen dat alle mensen zonder wettig verblijf in nood effectief toegang hebben tot de materiële hulpverlening. Zij moet er ook op toezien dat de materiële hulpverlening aan een aantal kwaliteitsvoorwaarden voldoet. De lokale overheid kan beide taken maar opnemen voorzover er een goede samenwerking is met het particulier initiatief.
Het aanbieden van voedselhulp en andere noodhulp is een taak van het particulier initiatief waarbij zowel professionele– als vrijwilligersorganisaties worden bedoeld. Het realiseren van deze opdracht veronderstelt een goede inbedding van de noodhulp in het bestaande lokale welzijnslandschap. Het houdt ook in dat vrijwilligers ondersteund (ook op het vlak van taalproblemen) en begeleid worden om mensen zonder wettig verblijf toe te laten tot de voedselbedeling en andere noodhulp. Bovendien kan het particulier initiatief deze taak maar opnemen voorzover het hiervoor kan beschikken over de noodzakelijke middelen..
Het is niet alleen belangrijk dat mensen zonder wettig verblijf die daar nood aan hebben effectief toegang hebben tot de voedselbedeling en andere noodhulp. Het is ook belangrijk dat deze noodhulp niet losstaat van de sociaal-juridische begeleiding en het uitklaren van het toekomstperspectief van de betrokkene. Het netwerk moet bijgevolg ook oog hebben voor het gericht doorverwijzen van mensen zonder wettig verblijf. Dit houdt in dat vrijwilligers ondersteund en begeleid worden om de noodhulp niet los te zien van de verdere begeleiding die de betrokkene nodig heeft Dit houdt ook in dat de reguliere hulpverlening, met name het algemeen welzijnswerk en de geestelijke gezondheidszorg, zich openstellen voor mensen zonder wettig verblijf.
AANBEVELING 10
Om de voedselzekerheid voor mensen in nood, waaronder mensen zonder wettig verblijf, beter te garanderen, is het aangewezen dat de Vlaamse minister bevoegd voor het armoedebeleid bij de federale overheid aandringt op een gestructureerd overleg over de organisatie van de voedselhulp in Vlaanderen en de wijze van samenwerking hieromtrent tussen de Vlaamse en de federale overheid.
Omdat noodhulp, zelfs in Vlaanderen, voor sommige mensen een noodzaak is, is het aangewezen dat de Vlaamse overheid – in samenspraak met de federale overheid – de nodige middelen ter beschikking stelt voor het doeltreffend aanbieden van noodhulp aan mensen in nood.
Provinciale besturen, hierin ondersteund door VVP, moeten instaan voor een goede coördinatie van de noodhulp in hun provincie. Het is aangewezen om de noodhulpinitiatieven, inzonderheid de voedselnetwerken, te betrekken bij de overlegtafels armoedebeleid
Lokale besturen, hierin ondersteund door VVSG, moeten instaan voor een goede coördinatie van de noodhulp in hun gemeente. Ze moeten er ook over waken dat deze noodhulp toegankelijk is voor al wie daar nood aan geeft, ongeacht het verblijfsstatuut, de godsdienst, de herkomst, … van de persoon in nood. Het concreet aanbieden van voedselhulp en ander noodhulp is een taak van het particulier (professioneel en vrijwilligers) initiatief.
In steden waar er al een overlegplatform ‘noodhulp’ bestaat, kan de lokale overheid dit platform concreet ondersteunen door bijvoorbeeld:
het ter beschikking stellen van een secretariaatsfunctie
het ter beschikking stellen van infrastructuur
het ter beschikking stellen van camionette en chauffeur (vb. via art. 60)
het maken van afspraken met voedselbanken wanneer het overlegplatform hierin niet lukt
het betrekken van de vrijwilligers in het lokaal vrijwilligersbeleid
….
In steden waar er nog geen netwerk ‘noodhulp’ voorhanden is, maar er wel een grote vraag is naar noodhulp, kan de lokale overheid het plaatselijk particulier initiatief stimuleren om een overlegtafel te voorzien. De particuliere minderhedensector kan dit mee faciliteren.
Het Vlaams Steunpunt Vrijwilligerswerk heeft de taak te informeren, te sensibiliseren en te helpen zoeken naar instrumenten om het vrijwilligerswerk voor en met mensen zonder wettig verblijf te faciliteren. De provinciale steunpunten vrijwilligerswerk kunnen hierbij eveneens een informerende rol opnemen.
Aanbieden van sociaal-juridische begeleiding
Artikel 23 van de Belgische Grondwet voorziet het recht op juridische bijstand. Dit geldt voor iedere vreemdeling die zich op het Belgisch grondgebied bevindt (art. 191 GW). Mensen zonder wettig verblijf – minderjarigen zowel als meerderjarigen - kunnen terecht in de kosteloze juridische bijstand (pro-deo advocaat). Ze kunnen ook kosteloze rechtsbijstand (vermindering van procedurekosten) bekomen.
Heel wat mensen zonder wettig verblijf – meerderjarigen zowel als minderjarigen - hebben niet alleen of niet zozeer behoefte aan juridische bijstand s.s. maar (ook) aan sociaal-juridische begeleiding. De hulpvragen zijn immers veelal van administratief-juridische aard. Hiervoor kunnen zijn terecht bij o.a. het algemeen welzijnswerk, ngo’s, het OCMW, integratiediensten, …Daarnaast gebeurt er ook heel wat juridische (eerste lijn) hulpverlening door vrijwilligersinitiatieven die op hun beurt soms samenwerken met professionele diensten.
Juridische specialisatie in de hulpverlening en bijstand van vreemdelingen is echter schaars. Bovendien wordt de sociaal-juridische bijstand aan mensen zonder wettig verblijf en vreemdelingen in het algemeen belemmerd door het ontbreken van voldoende inzetbare tolkenondersteuning.
Voor juridische bijstand doen lokale besturen doorgaans beroep op het pro deo systeem. Dit systeem heeft evenwel een aantal nadelen die kunnen maken dat mensen zonder wettig verblijf geen volwaardige toegang hebben tot de juridische bijstand die ze nodig hebben. Het pro deo –systeem is ongetwijfeld goed als aanvullend systeem om mensen zonder wettig verblijf juridisch bij te staan tijdens het verloop van de procedure. Het mag evenwel in geen geval als enige systeem van juridische bijstand aanzien worden.
Het ontwikkelen van een sociale advocatuur is ongetwijfeld een belangrijke andere pijler om de juridische bijstand aan mensen zonder wettig verblijf beter te organiseren. Het ontwikkelen van een sociale advocatuur is evenwel een bevoegdheid van de federale overheid (Justitie) en valt derhalve buiten het bestek van dit document. (
ongewijzigd)De specificiteit en complexiteit van de sociaal-juridische begeleiding aan mensen zonder wettig verblijf noopt tot blijvende specialisatie en verantwoordt een categoriale aandacht . Hierbij wordt niet zozeer gedacht aan categoriale voorzieningen, dan wel aan categoriale acties binnen algemene voorzieningen. Vanuit haar expertise ter zake heeft het Vlaams Minderhedencentrum hierbij een ondersteunende opdracht. Het aanbieden van een juridische helpdesk (zowel derdelijnsondersteuning als gecentraliseerde eerstelijnsondersteuning), een gericht publicatiebeleid en vormingsaanbod en het uitbouwen van een netwerk inzake sociaal-juridische bijstand, zijn hierbij belangrijke instrumenten.
Vanuit het cliëntperspectief bekeken, heeft het particuliere initiatief in dezen ongetwijfeld een meerwaarde . Dit surplus (onafhankelijkheid van de aanbodverstrekker t.a.v. het beleid – betere standpuntbepaling t.a.v. het doelpubliek) is evenwel een onvoldoende reden om deze taak in een toekomstgericht denken exclusief aan het particulier initiatief toe te wijzen. Publiek en privaat blijven hier beiden aan zet.
Het behoort in elk geval tot de taak van het centrum voor algemeen welzijnswerk (CAW) (privaat) en het OCMW (openbaar) om sociaal-juridische begeleiding te bieden aan mensen zonder wettig verblijf.. Het is aan respectievelijk SAW en VVSG om hun centra hierbij te ondersteunen.
Hic et nunc zijn CAW en OCMW evenwel onvoldoende toegerust om te voldoen aan de vraag naar sociaal-juridische begeleiding bij mensen zonder wettig verblijf. In afwachting van een afdoend regulier aanbod door beide partners is het aangewezen om de voorzieningen op lokaal en /of provinciaal niveau (vb. integratiediensten) die momenteel sociaal-juridische begeleiding aanbieden, eveneens meer slagkracht te geven. Lokale besturen van hun kant moeten er over waken dat het Sociaal Huis minimaal de toegangspoort is voor mensen zonder wettig verblijf die sociaal-juridische begeleiding nodig hebben.
Veelal zijn administratief-juridische vragen ook een toegangspoort naar andere hulpvragen. Hier ligt ongetwijfeld een belangrijke taak weggelegd voor het algemeen welzijnswerk.. Het is aangewezen het algemeen welzijnswerk dusdanig te organiseren dat het ambulante hulpverleningsaanbod toegankelijker wordt voor mensen zonder wettig verblijf en de centra de nodige vaardigheden verwerven om met deze doelgroep te werken. Dit veronderstelt een doorgedreven beleid van interculturalisering.
Interculturalisering van het algemeen welzijnswerk betekent geenszins dat elke hulpverlener in elk centrum voor algemeen welzijnswerk voortaan tot expert in het sociaal-juridisch begeleiden van mensen zonder wettig verblijf moet worden opgeleid. Daarvoor is de problematiek te specifiek en te complex.
Dit betekent wel dat het algemeen welzijnswerk zich dusdanig moet organiseren en structureren dat mensen zonder wettig verblijf die hulpvragen hebben hier effectief terechtkunnen en dat hulpverleners die geconfronteerd worden met mensen zonder wettig verblijf weten waar ze terechtkunnen voor ondersteuning en bijstand en naar welk gespecialiseerd CAW er desgevallend kan doorverwezen.
Het behoort tot de opdrachten van het Vlaams Minderhedencentrum om - samen met het SAW - een netwerk juridische hulpverlening uit te bouwen waar juridische specialisten inzake vreemdelingenrecht instaan voor o.m. inter- of supervisie bij de sociaal-juridische begeleiding van mensen zonder wettig verblijf (en vreemdelingen in het algemeen).
Aanbeveling 11
De Vlaamse overheid heeft de opdracht om de grondrechten van mensen zonder wettig verblijf, waaronder het recht op sociaal-juridsche begeleiding te garanderen. Hiertoe kan zij volgende acties ondernemen:
De nodige instrumenten en middelen ter beschikking te stellen zodat de sociaal-juridische begeleiding van mensen zonder verblijfsstatus op het terrein effectief kan worden opgenomen.
Voorzien in een gespecialiseerd administratief-juridisch kennis- en informatiecentrum op centraal niveau. Dit tweedelijnscentrum moet toegankelijk zijn voor de diverse actoren die de sociaal-juridische begeleiding van mensen zonder wettig verblijf opnemen. Dat centrum kan zich eveneens toeleggen op de problematiek van buitenlandse niet-begeleide minderjarigen. Het kan eventueel gelinkt zijn aan de centrale tolkendienstverlening.
Voorzien in een kader voor kwaliteitsvolle en afdoende tolkendienstverlening..
De lokale en provinciale besturen kunnen – via hun netwerk opvangbeleid - de vraag naar sociaal-juridische begeleiding van mensen zonder wettig verblijf en de nood aan ondersteuning(sstructuren) ter zake in kaart brengen. De resultaten van deze analyse kunnen zij meenemen in hun sociale beleidsplanning en in hun minderhedenbeleidplanning
De kerntaken vertaald naar de particuliere ondersteuningsstructuren
Met particuliere ondersteuningsstructuren worden hier volgende organisaties bedoeld : Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG), Vereniging van Vlaamse Provincies (VVP), de ondersteuningsstructuren van de onderwijsnetten, het Vlaams Overleg Bewonersbelangen (VOB), het steunpunt Algemeen Welzijnswerk (SAW), de Steunpunten Vrijwilligerswerk (provinciaal en Vlaams), de particuliere categoriale sector en het Vlaams Minderhedencentrum (VMC).
VVSG is belangenbehartiger / vertegenwoordiger van de lokale besturen naar de hogere overheid toe. VVSG is derhalve ook pleitbezorger wat betreft de belangen van steden en gemeenten m.b.t. het voeren van een minderhedenbeleid, waaronder een opvangbeleid.
Bovendien is het aangewezen dat VVSG – naar analogie met de ondersteuning die VVSG aan OCMW’s aanbiedt - de gemeentebesturen een geëigende methodologie aanreikt om een beleidsplan minderhedenbeleid / opvangbeleid op te maken, uit te voeren en op te volgen.
Daarnaast is het aangewezen dat VVSG de lokale besturen daadwerkelijk ondersteunt bij de concretisering van hun kerntaken op het vlak van opvangbeleid.
Recht op onderwijs voor minderjarigen: VVSG heeft hier enkel een beperkte informatieopdracht. De feitelijke ondersteuning dient via het OVSG als afzonderlijke onderwijskoepel te verlopen (cfr. infra).
Recht op gezondheidszorg: van VVSG wordt minstens verwacht dat zij het nodige instrumentarium voorzien om de OCMW’s systematisch te informeren, te sensibiliseren en te stimuleren om dit recht te garanderen voor de mensen zonder wettig verblijf.
Recht op onderdak: van VVSG wordt minstens verwacht dat zij de lokale besturen informeren over de relevante omzendbrieven op het vlak van sociale huisvesting.
Recht op materiële noodhulp: van VVSG wordt minstens verwacht dat zij de lokale besturen (juridisch) informeren over het verstrekken van noodhulp en hen bijstaan bij de coördinatie van de noodhulp in hun gemeente.
Wat specifiek de voedselbedeling betreft, wordt van VVSG verwacht dat zij inspanningen levert om de afspraken en relaties BIRB– lokale verdeelpunten beter te stroomlijnen en dat zij lokale besturen sensibiliseert om bij overlegtafels rond lokaal armoedebeleid systematisch de voedselnetwerken mee uit te nodigen. Deze voedselnetwerken worden best ook betrokken bij de eigen overlegtafels en/of studie- en vormingsmomenten die VVSG rond lokale armoedebestrijding organiseert.
Recht op sociaal-juridische begeleiding: van VVSG wordt minstens verwacht dat zij ondersteuning voorzien voor de OCMW’s die sociaal-juridische begeleiding aanbieden.
VVP is belangenbehartiger / vertegenwoordiger van de provinciale overheid naar de hogere overheid. VVP is derhalve ook pleitbezorger wat betreft de belangen van provincies m.b.t. het voeren van een minderhedenbeleid, waaronder een opvangbeleid.
Bovendien heeft VVP de taak om de provincies te ondersteunen en te inspireren bij het bepalen van de eigen taakstelling inzake opvangbeleid. Dit houdt minstens in dat VVP de provinciebesturen een geëigende methodologie aanreikt om een beleidsplan minderhedenbeleid / opvangbeleid op te maken, uit te voeren en op te volgen.
Daarnaast is het aangewezen dat VVP de provincies daadwerkelijk ondersteunt bij de concretisering van hun kerntaken op het vlak van opvangbeleid.
Recht op onderwijs voor minderjarigen: VVP heeft hier enkel een beperkte informatieopdracht. De feitelijke ondersteuning dient via de onderwijskoepel voor het provinciaal onderwijs te verlopen (cfr. infra).
Recht op materiële noodhulp: van VVP wordt minstens verwacht dat zij een goede coördinatie van de voedselhulp op provinciaal niveau ondersteunt en dat zij de provincies sensibiliseert om bij overlegtafels rond provinciaal armoedebeleid systematisch de voedselnetwerken mee uit te nodigen. Deze voedselnetwerken worden best ook betrokken bij de provinciale overlegtafels en/of studie- en vormingsmomenten rond lokale armoedebestrijding.
De ondersteuningsstructuren van de onderwijsnetten (in de context van deze nota gaat het vooral over het Gemeenschapsonderwijs, het Provinciaal Onderwijs, OVSG en VSKO) zijn de officiële belangenbehartiger / vertegenwoordiger van hun onderwijsnet naar de hogere overheid.
In die hoedanigheid en vanuit hun dienstverlenende functie naar de scholen toe moeten zij er mede over waken dat het recht op onderwijs voor alle kinderen en jongeren geëffectueerd wordt
Wat specifiek de minderjarigen zonder wettig verblijf betreft, is het aangewezen dat de onderwijsnetten de nodige kennis en competentie verwerven om binnen de eigen reguliere informatie- en sensibiliseringsopdrachten systematisch ook aandacht te besteden aan de inhoud en toepasbaarheid van de omzendbrief inzake het recht op onderwijs voor kinderen en jongeren zonder wettige verblijfsstatus.
Het Vlaams Overleg Bewonersbelangen (VOB) is het overleg- en ondersteuningscentrum voor de Huurdersbonden en de sociale verhuurkantoren. In deze hoedanigheid neemt het VOB volgende taken op: informatieverstrekking, vorming en ondersteuning van de leden, methodiek- en werkontwikkeling, organisatie van overlegmomenten, studiewerk, vertegenwoordiging van de wooninitiatieven in advies- en overlegorganen, uitbouw van contacten en samenwerking met andere sociale woonorganisaties, belangenbehartiging.
In het kader van het opvangbeleid heeft het VOB de opdracht de aangesloten leden te informeren over en te sensibiliseren voor de huisvestingsproblematiek van mensen zonder wettig verblijf. Daarnaast heeft het VOB een signaalfunctie naar de relevante huisvestingsactoren.
Centra voor algemeen welzijnswerk zijn als uitvoerder betrokken bij het opvangbeleid. Als niet-gouvernementele sector kunnen zij evenwel slechts rechten garanderen voor zover de overheid dit recht erkend heeft, voor de toekenning ervan een beroep doet op het algemeen welzijnswerk en hiervoor de nodige middelen voorziet.
Het aanbieden van structurele ondersteuning aan de centra voor algemeen welzijnswerk is één van de kerntaken van het Steunpunt Algemeen Welzijnswerk.(SAW). In het kader van het opvangbeleid heeft het SAW t.a.v. de CAW’s o.m. volgende ondersteunende taken: deskundigheidsbevordering, dataverzameling, onderzoek, overleg en beleidssignalering.
De provinciale steunpunten vrijwilligerswerk en het Vlaams steunpunt vrijwilligerswerk bieden een website aan, waarin vrijwilligersvacatures zijn opgenomen waaruit kandidaat-vrijwilligers kunnen putten. Provinciale steunpunten vrijwilligerswerk brengen kandidaat-vrijwilligers en organisaties die op zoek zijn naar vrijwilligers met elkaar in contact, zetten acties op om nieuwe vrijwilligers aan te spreken en organiseren vorming en ervaringsuitwisseling voor organisaties die over een vrijwilligerswerking beschikken of er één willen opzetten. Het Vlaams Steunpunt Vrijwilligerswerk heeft als hoofddoel het vrijwilligerswerk te promoten en te ondersteunen met als één van de kerntaken het ondersteunen van organisaties Het stelt zich ook tot doel om een vrijwilligersvriendelijk klimaat te creëren, door het formuleren van voorstellen naar de beleidsmakers en door beleidsbeïnvloeding.
Vrijwilligerswerkingen kunnen te maken hebben met mensen zonder wettig verblijf. In het kader van het opvangbeleid heeft het Vlaams Steunpunt Vrijwilligerswerk de taak te informeren, te sensibiliseren en te helpen zoeken naar instrumenten om het vrijwilligerswerk voor en met mensen zonder wettig verblijf te faciliteren. De provinciale steunpunten vrijwilligerswerk hebben hier eveneens een informerende en ondersteunende taak.
De particuliere minderhedensector heeft in essentie een ondersteunende opdracht. Specifiek in het kader van het opvangbeleid heeft deze sector de taak om reguliere diensten en instellingen waar mensen zonder wettig verblijf terecht moeten kunnen, te sensibiliseren en te stimuleren om zich open te stellen voor deze doelgroep en er toe bij te dragen dat basisrechten van mensen zonder wettig verblijf geëffectueerd worden. De concrete taken kunnen evenwel niet los gezien van de algemene taakstelling van deze sector, een taakstelling die momenteel verder verfijnd wordt.
Op sommige domeinen zijn de reguliere diensten op dit ogenblik evenwel nog niet voldoende toegerust om de rechten van mensen zonder verblijf te effectueren. Om ter vermijden dat de rechten van mensen zonder wettig verblijf hierdoor geschaad worden, kan de particuliere minderhedensector – naast zijn ondersteunende opdracht – tijdelijk ook nog specifieke acties ontwikkelen. Het spreekt voor zich dat overleg en netwerkvorming met de reguliere aanbodverstrekker(s) in functie van overdracht van taken en knowhow inherent deel uitmaakt van deze uitvoerende taken.
.Ertoe bijdragen dat mensen zonder wettig verblijf menswaardig worden opgevangen en begeleid is één van de terreinen waarop het Vlaams Minderhedencentrum (VMC) zijn kerntaken realiseert. Als ondersteuningscentrum voor de integratiecentra- en diensten en het vluchtelingen- en woonwagenwerk moet het VMC minstens de categoriale sector ondersteunen daar waar zij taken inzake opvangbeleid opnemen.
Naar elk van de hier behandelde thema’s toe heeft VMC minstens de opdracht om – als verzamelpunt van expertise – de eigen sector en andere relevante actoren te informeren, te sensibiliseren en te wijzen op tekortkomingen of problemen.
Wat specifiek de sociaal-juridische begeleiding betreft, moet VMC – minstens in samenwerking met SAW – een netwerk juridische hulpverlening uitbouwen. Bovendien moet VMC zelf op de tweede lijn een gespecialiseerde aanbod sociaal-juridisch advies voorzien.